Binnen ons vergoedingsstelsel is er veel geregeld op het gebied van hulpmiddelenverstrekking. Er is vaak zelfs veel meer mogelijk als dat op het eerste moment blijkt. Om bewustwording te creëren hebben wij samen met een aantal vooraanstaande partijen jouw mogelijkheden in kaart gebracht, zodat duidelijk wordt welke rechten je hebt bij het aanvragen van een hulpmiddel en welke stappen je kunt nemen om ook daadwerkelijk een passend hulpmiddel vanuit de WMO vergoed te krijgen. Voor extra fundament is dit onderwerp in de Tweede Kamer besproken en is in samenwerking met stichting per Saldo een handige tool opgezet waarmee jouw kansen op en rechten voor vergoeding duidelijk vergroten.

Trek de Powerkaart en ‘Schrijf je eigen Indicatie’ (bron: supportmagazine 08-2016)

Je hebt het hulpmiddel van je keuze gevonden en doet bij de gemeente een aanvraag voor vergoeding vanuit de Wmo. Hoe zorg je dan dat je krijgt wat je wilt (lees: nodig hebt)? Sinds 2015 biedt de wet een handige tool: het Persoonlijk plan. Je schrijft het zelf, en dient het in bij je aanvraag.

Het is inmiddels genoegzaam bekend: gemeenten werken met standaardpakketten en de keuzevrijheid van de cliënt dreigt daarbij in hoge mate in het gedrang te komen. Toch heeft de wetgever vorig jaar met artikel 2.3.2 van de Wmo een belangrijke handreiking naar de cliënt gedaan. Met een Persoonlijk plan schrijf je als het ware je eigen indicatie. De gemeente is wettelijk verplicht dit plan als uitgangspunt te nemen bij het keukentafelgesprek. Je schrijft het plan zelf of met hulp van een derde. Indienen kan binnen de eerste week na je Wmo-aanvraag. Uiteraard geldt artikel 2.3.2 niet alleen voor hulpmiddelen, maar ook voor andere voorzieningen die vanuit de Wmo geregeld worden. Denk aan (niet-medische) zorg of woningaanpassingen. Indienen van een Persoonlijk plan is trouwens niet verplicht. Je kunt er zelf voor kiezen. Desgewenst kun je bij het invullen gebruikmaken van het recht op gratis cliëntondersteuning. De gemeente is wettelijk verplicht zo’n ondersteuning aan te bieden.

Persoonlijk plan - Wat moet erin staan?

Belangrijkste wat er in het Persoonlijk plan moet staan is natuurlijk wát je precies wilt. Of, zoals de wet letterlijk zegt: dat je aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar jouw mening het meest is aangewezen (artikel 2.3.2 lid 2). Moeilijk zal dat meestal niet zijn. Wie weet er nou beter wat je nodig hebt dan jijzelf? En mocht je het nog niet duidelijk voor ogen hebben, dan is het schrijven van zo’n plan sowieso een mooi middel om dat voor jezelf helder te krijgen. Op internet is een format te downloaden (www.zorgverandert.nl/toolkit/keukentafelgesprek-formatvoor-
een-persoonlijk-plan) maar je bent als indiener geheel vrij om het Persoonlijk plan zo in te delen als
je zelf wilt. Dus al zou je het willen indienen op de achterkant van een sigarendoosje, het mág, ook al is het niet aan te raden. Kortom, een kort en bondig verhaal kan volstaan. De Wmo geeft wel een aantal onderwerpen die in het keukentafelgesprek aan de orde moeten komen. Besteed hieraan in elk geval aandacht in het Persoonlijk plan:

  • Waarom heb je ondersteuning nodig bij zelfredzaamheid en/of participatie?
  • Wat kun je zelf al doen om deze ondersteuning te regelen?

Gaat de aanvraag niet om een hulpmiddel, maar om een dienst vanuit de Wmo neem dan ook de volgende vragen mee in het plan:

  • Wat kunnen de mensen in je omgeving (sociaal netwerk) doen om te helpen?
  • Heeft de mantelzorg eventueel ondersteuning nodig?
  • Zijn er algemene voorzieningen die een oplossing kunnen bieden? (Toelichting: kenmerk van een ‘algemene voorziening’ is dat die voor iedereen toegankelijk is, bijvoorbeeld een boodschappendienst.)

IN DE PRAKTIJK

“Nieuwe, innovatieve producten die je op de Supportbeurs kunt vinden zijn soms nog bij geen enkele gemeente-ambtenaar bekend. Aan jou dan de taak om uit te leggen waarom juist dát product voor jou de oplossing is. En dat geldt natuurlijk altijd als je iets wilt wat buiten het standaardpakket van de gemeente valt.” Aan het woord is Hans van der Knijff, voorlichter en adviseur bij de belangenvereniging voor pgb-houders Per Saldo. Van der Knijff is een fel pleitbezorger van het Persoonlijk plan. Zelf rijdt hij in een Balder met hoog/laagfunctie. “Voor mijn werk is het noodzakelijk dat ik op ooghoogte kan communiceren, dat heb ik in het Persoonlijk plan goed duidelijk gemaakt. Maar om een ander voorbeeld te noemen: ik heb ook veel baat bij een geavanceerde zitorthese van Lewis. Die zat niet in het standaardpakket, maar omdat ik kon beargumenteren dat ik met déze orthese geen last meer van decubitus zou hebben en dat ik daardoor mijn werk zou kunnen blijven doen, heb ik de orthese vergoed gekregen.” En terecht. Want Van der Knijff vervolgt: “Inmiddels heb ik al een jaar geen last meer van decubitus. Ik doe nog volop mijn advieswerk voor Per Saldo en ik kan nog steeds mijn gewone sociale leven leiden!”

Artikel 2.3.2 Wmo

  1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding. 
  2. Voordat het onderzoek van start gaat, kan de cliënt het college een persoonlijk plan overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Het college brengt de cliënt van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding, bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid het plan te overhandigen.
  3. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning. 
  4. Het college onderzoekt:
    • a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
    • b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
    • c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
    • d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
    • e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
    • f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
    • g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4, verschuldigd zal zijn.
  5. Indien de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het tweede lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g.
  6. Bij het onderzoek wordt aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger medegedeeld welke
    mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.
  7. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
  8. Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek.
  9. Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de in het eerste lid genoemde termijn.

contact

contact

contact

kontakt

Powerkaart - hoe krijg ik mijn hulpmiddel vergoed?